HET GEBED OM DE DOOP MET DE HEILIGE GEEST

“En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.” (Handelingen 1: 4 en 5)

Het gebed om de doop met de Heilige Geest. Het is een beloofde gave voor de prediker. Het is een nodige en beloofde gave voor Gods Kerk. Het is een gezegende gave voor verloren zielen binnen en buiten de kerkmuren. Er zijn immers nog veel verloren zielen binnen de kerk. Als Gods Geest wordt uitgestort op de predikers, gaat het ook over op de levende Kerk. De Geest wordt dan ook uitgestort op de christenen zelf. Kijk maar naar wat we in Handelingen 8 vers 4 lezen toen de gemeente vervolgd werd. Er staat: Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord. Dat waren geen predikers of apostelen. Het waren gewone christenen. Ze verkondigden het Woord. Waar ze ook heengingen, verkondigden ze het Woord.

We kunnen als gemeente een evangelist aanstellen en dat is goed. Maar het is nog veel mooier als elk kind van God evangelist wordt. U gaat dan getuigen wat de Heere ons heeft bekendgemaakt, wat u hebt gezien van de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus en van Zijn genade, over wat u hebt gezien van wat Hij heeft willen doen om uw schande weg te dragen op het kruis. Als u mag geloven en vertrouwen wat Hij nu voor u doet, biddend aan de rechterhand van de Vader. Elke keer als Hij zonden ziet die we weer doen, pleit Hij op Zijn verdienste in leven en dood voor het aangezicht van Zijn Vader.

Als u daarvan door de week mag getuigen als kind van God, gaat de wereld iets horen wat ze anders niet horen, want zij komen immers niet in de kerk. Zij komen niet hier luisteren. Maar als ze naar u luisteren en zien dat u iets uitstraalt, dan kan het zijn dat de vonken van uw vuur vlam vatten in anderen.

Ik las onlangs een gezegde dat me erg trof. Het werd gezegd over christenen in de vroege kerk. Ze waren zó hemelsgezind dat ze van weinig aards nut waren. Maar hoe is het met ons? Zijn wij zó aardsgezind dat wij van weinig hemels nut zijn? Wat is dat erg!

Wat is de doop met de Heilige Geest nodig in onze tijd. Want wat gebeurt er als God Zijn kerk doopt met de Heilige Geest? Er komt dan een overtuiging, een jaloers verlangen, een innig zoeken naar God.

We zullen dan de uitroep weer horen die zo weinig gehoord wordt. ‘Dominee, wat moet ik doen om zalig te worden?’ Wat zou het verblijdend zijn als we deze vraag eens meer kregen te horen? We horen dan meisjes en jongens, vrouwen en mannen die de Heere niet meer kunnen missen en het ervaren dat ze voor God niet kunnen bestaan. Mensen die in hun verwarring en in hun overtuiging uitroepen: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ Ik krijg niet zo vaak zulke vragen.

Een geestelijk opleving is nodig binnen de kerk. Wat is het stil in de Christelijke gemeenten! Is het niet alarmerend dat er zoveel mensen zijn die wekelijks in de kerk zitten zonder enige verandering, behalve de verharding van hun hart? Hoelang zit u al onbekeerd en ongevoelig in de kerk? Hoe komt dat? Verharding is Gods oordeel op het verwerpen van Zijn Woord. Verharding is de vrucht van het weerstaan van de Geest die met onze ziel strijdt. Verharding is niet alleen maar een oordeel; het is een zwáár oordeel.

Maar kijk wat er gebeurt als Gods Geest wordt uitgestort. We lezen daarover in Handelingen 5 vers 11: En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden. Over de gelovigen en degenen die om hen heen woonden. Ze begonnen toch iets te merken. Zo’n vrees is op zich niet zaligmakend, maar wel heilzaam en gunstig. Ik las iets van John Bennett over de opwekkingen in de achttiende en negentiende eeuw. Hij schreef: ‘Velen die niet vernieuwd werden door de genade van God werden onder krachtige beperkingen gelegd door de overtuiging van hun geweten. Met de moraal werd het beter. Het publieke geweten sprak sterk en overtuigend. Dat de dienst van God zeer belangrijk was, werd gezien door een grote menigte van onbekeerde mensen.’

Zo is het nu niet. Wij tellen echt niet mee in ons ontkerstende land. We worden aangezien als achterlijke christenen omdat we nog in een Boek geloven dat allang achterhaald is. Waarom wordt er zo over Gods Kerk gesproken? Omdat er zo weinig kracht van ons uitgaat!

Ik roep u op om als Kerk van God deze week op uw knieën te gaan met belijdenis van schuld. Doe het eendrachtig. Zoek elkaar op om elkaar aan te moedigen te volharden in zo’n gebed.

Ds A.T. Vergunst

DRINKEN UIT DE BRON

“En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.” (Johannes 1:16)

We hebben niet veel te roemen en te pochen als we voor God willen verschijnen, want al verkeren we op aarde in de hoogste en beste rangen en standen, dan zijn wij toch voor God niets anders dan maden- en drekzakken, vol van stank en vuil. Vandaar dat Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen: ‘Zij zijn allen zondaars’, de hele wereld is schuldig voor God (3:23). En Jesaja zegt: ‘Maar nu zijn wij allen tezamen als de onreinen, en al onze gerechtigheid is als een bezoedeld kleed’ (64:6). Dat onze lieve Heere God ons nog genade betoont en ons tot nu toe in het leven heeft gehouden, dat hebben wij aan Zijn genade te danken, en niet aan onze goede werken. Hij had immers goed recht en reden om ons elk uur van de dag en de nacht in de afgrond der hel te stoten! Maar Hij heeft ons in deze wereld en in dit jammerdal – wat ons hospitaal en ziekenhuis is, omdat wij allen melaats en onrein zijn – nog verpleegd en verdragen. Als onze werken God behagen, dan zijn ze alleen daarom goed, omdat Hij ons onze gebreken niet toerekent en geduld met ons heeft. Want als Hij onze zonden wilde toerekenen, wie zou dan voor Hem kunnen bestaan? Daarom weten en kunnen we ons nergens op beroemen dan alleen op Zijn grote genade en barmhartigheid, die Christus ons uit Zijn volheid meedeelt – ja, uit een volheid die onuitputtelijk is!

Als wij ons willen beroemen, kunnen we ons alleen hierin beroemen dat we uit de volheid van de Heere Christus nemen, door Hem verlicht worden, vergeving van zonden verkrijgen en kinderen van God worden. Want dat is het belangrijkste: wie uit de macht van de duivel verlost wil worden, aan zonde en dood wil ontkomen, die moet uit deze Bron, Christus, scheppen, daaruit moet alle heil en zaligheid voortvloeien. Deze Bron is onuitputtelijk, vol genade en waarheid voor God. Hij vermindert niet: we mogen scheppen zoveel als we willen. Zelfs al zouden we allemaal eindeloos uit deze Bron scheppen, dan kan Hij toch niet leeggeschept worden, maar Hij blijft een oneindige Bron van alle genade en waarheid. Hij is een grondeloos diepe Put en een eeuwig stromende Bron. Hoe meer je uit Hem schept, hoe rijker Hij stroomt. Zoals Hij later zegt: ‘Het water dat Ik hem geven zal, zal in hem een fontein van water worden, dat tot in het eeuwige leven springt’ (4:14).  Christus onze Heere – tot Wie we de toevlucht mogen nemen in het gebed – is een oneindige Bron en

Fontein van alle genade, waarheid, gerechtigheid, wijsheid en leven. En dat alles zonder maat, eindeloos en grondeloos.

Deze Bron stroomt altijd mild en overvloedig van Gods liefde en genade. Wie nu – niemand uitgesloten – deze genade en liefde wil proeven en smaken, die mag tot Hem komen en drinken: niemand zal deze Bron kunnen leegdrinken. Hij zal het niet opgeven. Iedereen kan overvloedig genoeg daaruit ontvangen, en toch blijft Hij een overvloeiende Bron van levend water. Zo’n Prediker (zegt Johannes de Doper) zul je hebben, maar onderschat Hem niet, omdat je vroom genoeg meent te zijn; je aan de wet van Mozes houdt; je veel goede werken doet, enzovoort. Al je doen levert je niets op! En zelfs al zou het allemaal voor de mensen prachtig schitteren en glinsteren, dan is toch alles wat je doet, leugen en bedrog voor God, en ten slotte maar een armzalige schijn.

Wil je nu echt vroom, rein, rechtvaardig en zalig worden, dan moet je het nemen uit Hem Die God de Vader heeft verzegeld (bevestigd; verordend; beëdigd). Hij is die overvloedige, onuitputtelijke Bron en Volheid, waaruit de patriarchen en profeten, en verder alle heiligen – en ikzelf, Johannes – ook hebben geschept en altijd weer zonder ophouden scheppen. Wij allen, zonder één uitzondering, komen met lege flesjes en scheppen ons flesje vol uit Zijn bron en volheid. Ook mag niemand bevreesd of kleinmoedig zijn, en bij zichzelf denken: Hoe kan dat mogelijk zijn? Ik ben onwaardig, ik hoor niet bij het getal der heiligen. Ik ben een heiden, daarom moet ik wanhopen. Dan zegt Johannes: Hoor nu wat ik, in naam van God, tegen je zeg: De heidenen hebben, uit enkel barmhartigheid, even zo goed recht om van Zijn volheid te nemen als de Joden, die Abrahams zaad waren. Allen, allen, zowel Joden als heidenen, als ze tot genade willen komen, moeten uit deze Bron drinken. Hier moeten ze hun lege flesje vullen: waar het altijd stroomt en overloopt. Ze moeten zich vol drinken uit deze Springader van levend water, Die in het eeuwige leven ontspringt. Zijn volheid heeft geen eind of maat, daarom, schenk maar volop in, en drink met blijdschap en vreugde, want hier is overvloed en genoeg tot in het eeuwige leven, waar dan met het loven en danken van God je dorst voor eeuwig voorbij zal zijn.

Dr. M. Luther (1483-1546)

EN OPZIENDE…

“En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was” (Markus 16:4)

Wat moet dat voor die vrouwen geweest zijn! Een zien, vol verwondering: de steen is afgewenteld! Verwondert u zich ook over Pasen? Dat Jezus is opgestaan? Raakt het u niet in de kern van uw bestaan? Als Pasen vieren voor u alleen maar verstandswerk is, dan bent u nog een vreemdeling van God en van Christus. Want Jezus is opgestaan. Hij heeft de dood overwonnen, Hij heeft het graf verlaten.

Ik denk dat we allemaal weleens op een begraafplaats hebben gestaan. Maar niemand van ons heeft gestaan bij een geopend graf dat verlaten is door een dode, omdat hij was opgestaan. Dát is alleen in de hof van Jozef van Arimathea gebeurd. Het graf is verlaten, de steen is ópgewenteld omdat Jezus is opgestaan. En Hij heeft van Zijn Vader alle eer ontvangen bij Zijn opstanding als de Levensvorst. Jezus leeft. Dat zegt ons die afgewentelde steen. Die grote grafsteen wijst naar onze dood en naar onze verlorenheid. Die grafsteen wijst naar onze hopeloosheid, naar het uitzichtloze leven zonder God. Besef toch dat uw situatie buiten de Heere hopeloos is, want buiten Jezus is geen leven. We liggen van nature begraven in een zondegraf, onder een loodzware steen van Gods rechtvaardige toorn.

Maar hoor wat er op de paasmorgen is gebeurd: de steen is afgewenteld! Jezus is uit het graf verrezen. Jezus leeft, om geestelijke doden levend te maken. Kom, verwonder u hierover. Wanneer u nog buiten God leeft, kunt u nog zalig worden. Er is een weg, er is een mogelijkheid bij God vandaan. In deze opgestane Jezus is er een ruimte om zalig te worden. Jezus leeft, en Hij laat u het Evangelie van Zijn opstanding nog preken: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten (Ef.5:14).

Ja, zegt er nu iemand, maar die paasvreugde waar u het over heeft, die heb ik niet. Verwonderd over de opstanding van de Heere Jezus? Daar weet ik niets van. Het is me nog nooit tot blijdschap geweest. Dat is wel heel erg natuurlijk. Maar luister… Hebt u, heb jij gehoord, wat er met Pasen is gebeurd? Jezus is opgestaan uit de doden, om doden levend te maken. Ga met die boodschap, meisjes en jongens, op je knieën. Zeg dan maar heel eenvoudig: Heere, nu is het gepreekt dat U opgestaan bent om doden tot leven te wekken. Wilt U het ook bij mij doen?

We lezen van die vrouwen: En opziende… Je kunt het je wel een beetje voorstellen. Toen ze naar dat graf gingen, waren ze zó verdrietig en zó terneergeslagen. Ze liepen met hun schouders naar beneden en met hun hoofd naar beneden; dat doen we nóg, als we erg verdrietig zijn. Deze vrouwen keken niet vooruit, ze keken naar beneden, ze lieten het hoofd hangen. Maar dan gebeurt het wonder. De Heere richt Zélf hun hoofd op en richt hun ogen op het graf. Hij richt hun ogen op die afgewentelde steen. Dan is het die bedroefde vrouwen zo meegevallen. Hun droefheid zal spoedig in blijdschap veranderd worden.

En opziende… Zo gaat het nóg in het geloofsleven. Zó wordt donkerheid en droefheid in blijdschap veranderd.

En opziende… Als we door het geloof mogen zien op die opgestane Jezus, dan valt er licht in onze duisternis.

En opziende… Met die grafsteen in de hof van Jozef van Arimathea zijn alle stenen van verhindering voor Gods kinderen weggenomen. Gods recht is verheerlijkt, Christus is uit het graf verrezen en mét Hem is de Kerk verrezen.

De Levensvorst heeft uw balsem en mijn balsem niet nodig, laten we dat goed bedenken. Nee, Hij wil Zijn specerijen juist uitdelen aan krachtelozen, opdat Hij zou zeggen: … Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2Kor.12:9). Hoor de stem van de verheerlijkte Christus, Die Zijn specerijen blijft uitdelen van Zijn verzoening en kruisverdiensten. Die zijn het leven alleen.

Kom, hoe lang zult u nog twijfelen of de Heere Jezus wel voor u gestorven is? Hoe lang zult u nog twijfelen of Jezus voor u opgestaan is?

Kom schuldigen, kom moedelozen, kom twijfelmoedigen, de steen is afgewenteld. Het is u gepredikt dat Christus is opgestaan, opdat u Hem nodig zou krijgen. Jezus leeft. En Hij moge Zich in u verheerlijken in de kracht van Zijn dood en van Zijn opstanding. Want Hij is opgestaan om u uit de volheid van Zijn Middelaarsheerlijkheid alles te schenken.

De Heere leide ons zo in de vrijheid van de kinderen van God, opdat we zouden mogen zeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20).

Ds. J.S. van den Net

IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN

‘Nog een kleine tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien, want Ik leef en gij zult leven.’ (Johannes 14:19)

 

‘Gij zult Mij zien’, sprak de Heere. Dat wil zeggen: Mij zien met onuitsprekelijke vreugde met de ogen van het hart en dan verder met de ogen van het lichaam. ‘Want Ik leef’, zei de Heere. Dat wil zeggen: Ik blijf in het leven, hoewel Ik ook zal sterven, zoals in Psalm 118 staat: ‘Ik zal niet sterven, maar leven’. Zo heeft Hij dan de dood tenietgedaan, toen Hij, hét Leven, zich voor ons in de dood gegeven heeft. Hij heeft de dood zo geslagen dat hij niet slechts in Christus, maar ook in al Zijn heiligen en uitverkorenen overwonnen is. Dan doet het ons toch geen schade dat wij aan de aanslagen van de duivel blootgesteld blijven, de wereld ons kruisigt en in het graf legt, de zonde, die in ons woont, ons van de genade van Christus dreigt af te trekken. Ja, ondanks dat ons leven niets anders is dan een dood en die dood ons in allerlei gedaante aanvalt, zo doet het ons zelfs geen schade, net zo min als dit alles Christus, de Leidsman van onze zaligheid, geschaad heeft.

Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft in Christus Jezus onze Heere! O, mochten we deze woorden leren begrijpen: ‘Ik leef en gij zult leven’. Want van nu aan hebben wij het onderpand voor ons geestelijk en eeuwig leven, zoals ook voor ons tijdelijk leven, ja, voor vreugde in de Heere, voor gerechtigheid, voor vrijheid, voor vrede en rust, te midden van het gewoel van de vijanden om ons heen. ‘Jezus leeft en wij met Hem’! zo mogen wij juichen.  ‘Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?’ Ja, door de dood van Christus zijn zonde, duivel, dood en alle vijanden ten onder gebracht; hun toorn is krachteloos geworden.

Laten we onze Heere Christus kennen in Zijn troostvolle beloften, indien wij hem althans liefhebben en een hart hebben, geneigd om Zijn geboden te bewaren. Zodat wij tegenover onze vijanden steeds indachtig blijven dat de grote vis onze Jona heeft moeten teruggeven, hoewel hij Hem in zijn buik en in zijn ingewand had. Want dit is het woord van de Heere: ‘Ik ben uit het graf, en u komt er ook uit, ja Ik trek u achter Mij aan, want juist daartoe om u eeuwig te verlossen, liet ik Mij door de dood verslinden’. Het kost wel een harde strijd om dit te begrijpen en te geloven. Toch blijft het waar: ‘Ik leef en gij zult leven’. Daar helpt de Heere met Zijn Geest, de tedere Trooster, opdat wij het tegen de verschrikking en de vrees van het geweten en tegen de stoten, steken en aanvallen van onze vijanden met het hart verstaan en daarin onze rust vinden, wat de apostel Paulus op grond van deze woorden van de Heere aan de Romeinen schrijft, in hoofdstuk 6: ‘Wij weten, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft: de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere’. Zo moet dan de stad Gods vrolijk blijven (want dat is het ‘leven’) met haar beekjes, met haar heilfonteinen van de Heilige Geest, die uit de troon van God en van het Lam hun oorsprong nemen, waar het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste is. ‘Want God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen, God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond’ (psalm 40). Hij helpt haar, Die ook gezegd heeft: ‘Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen’.

H.F. Kohlbrugge

DE STAD MET DE FUNDAMENTEN

Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.  Hebreeën 11:10

Oude steden staan nog altijd in het middelpunt van de belangstelling. Menigeen trekt er heen en bewondert de architectuur ervan. Maar eenmaal zal er zelfs van de oudste steden der wereld niets meer gezien worden. Op de grote dag wordt alles wat de mens heeft opgetrokken, vernietigd. Niets is hier blijvend, het zal alles vergaan. Dan echter zal de stad gezien worden in haar glorie en heerlijkheid. Die stad is niet van beneden maar van boven. Zij is niet het product van ’s mensen kennen en kunnen. God is de Uitdenker en Bouwer van deze stad en wat de Heere uitdenkt en bouwt zal eeuwig bestaan.

Deze stad heeft fundamenten. In het Grieks staat het lidwoord erbij. Deze stad heeft dus de fundamenten. Het zijn zulke solide fundamenten, waarop deze stad Gods gebouwd is, dat deze stad van geen wankelen weet. Al zou de aarde veranderen van haar plaats, de stad Gods blijft. De bewoners van deze stad behoeven dan ook voor niets te vrezen. Zij wonen veilig. Geen onheil zal de stad verstoren, waar God Zijn woning heeft verkoren, zo zong de dichter.

Volgens de tekst heeft deze stad meer dan één fundament. Wilt u weten welke fundamenten dat zijn? Het eerste fundament is dat van Zijn eeuwig welbehagen. De Heere heeft naar Zijn volk omgezien uit vrije genade. De oorzaak van de zaligheid ligt in God. Naar het eeuwig voornemen Gods is het verkoren tot het eeuwige leven. Het heil van Gods volk ligt vast in Zijn verkiezende liefde. In die liefde staat deze stad dan ook eeuwig vast, zodat de apostel Paulus kan neerschrijven: ‘Evenwel het vaste fundament staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn’.

Deze stad is vervolgens gegrond in het bloed van de Heere Jezus Christus. Zij rust op Zijn volbracht Middelaarswerk. Ja, Hijzelf is het fundament van de stad, waarvan Gods Woord getuigt: ‘Want niemand kan een fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus’. Onder deze stad ligt ook het fundament van het eeuwig verbond, waarvan de Heere zegt: ‘Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer’.

We ontdekken verder nog het fundament van Zijn trouw. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Hij blijft getrouw en maakt Zijn Woord waar van nu aan tot in eeuwigheid. Welk een stad heeft de Heere. Hoe gaarne zou de satan dynamiet onder de fundamenten leggen, zodat zij in de lucht vlogen en totaal verpulverd werden. Echter alle inspanning is tevergeefs; niets gelukt hem. Deze stad verduurt de eeuwen en zal nimmer vergaan, omdat de Heere haar beschermt. Hij staat voor de veiligheid in. Hoe vervuld is deze stad met de heerlijkheid des Heeren. Geen zonde kan de stad binnendringen. Al onze driften en vleselijke lusten, al onze boosheid en verkeerdheid, ons ongeloof en wantrouwen, blijven buiten de muren van deze stad. In Gods stad heerst vrede, is wetsonderhouding, wordt de Heere gediend en geprezen. Op de straten hoort men zingen van Zijn heil en genade. Deze stad nu verwachtte Abraham.

Verwachten is een sterk woord en drukt uit spanning, activiteit. Het komt omdat er een hoopvol uitzien is. Men heeft grond om te hopen. Zo was het nu bij Abraham. Hij had een gegronde hoop.

De wortel van die hoop lag niet in Abraham zelf, maar zij lag in hetgeen de Heere beloofd had. En wat de Heere beloofd had, geloofde hij. Dit is de rijke vrucht van de Heilige Geest. De Heilige Geest had het verzegeld in zijn leven dat er voor hem een plaats bereid was in de stad Gods. Hij was tot deze zekerheid gekomen, dat hij een burger was van de stad, die fundamenten heeft. Hij was wedergeboren tot een levende hoop. Zijn domicilie had hij niet meer op aarde. Hij was uit God geboren. Vandaar dat hij dan ook al zijn heil van God verwachtte. Die stad Gods had voor hem ook waarde gekregen, ja was alles geworden. Immers in die stad wordt eeuwig genoten de gemeenschap met de Drieënige God. Daar is men verlost van zichzelf. Daar kan men niet meer zondigen en niet meer afwijken. Daar bedroeft men de Heere niet meer. Daar leeft men altijd tot eer van God. Daar eert men God. Daar bedoelt men altijd God. Een heimwee, een verlangen kende hij naar die stad, want die stad was zijn thuis. Van nature hebben wij hier onze domicilie, al wordt dagelijks gezien, dat wij hier geen blijvende stad hebben. Van huis uit zijn wij uit de aarde aards. De Heere schenke het nieuwe leven, dat van boven komt en ons naar boven richt. ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? ‘ Wie deze zielsgestalte kent, komt eenmaal thuis, ja, zal eeuwig bij God thuis zijn.

Wijlen ds. L. Blok

Deze meditatie is eerder verschenen in de Saambinder.

GODS WERK GAAT DOOR IN HET NIEUWE JAAR

‘Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs? Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.’ (Habakuk 2:13 en 14)

 

Zoals elke profeet, is ook Habakuk een lijder geweest. Hij heeft het moeilijk gehad, moeilijk met Gods regering. Ziet de HEERE dan niet wat er plaatsvindt aan zonde en ongerechtigheid en doet Hij er niets aan?

‘t Is begonnen in Juda, in de kerk zou je zeggen, binnen de kring van Gods verbond. Daar is de liefde geweken en de goddelozen zijn de toon aan gaan geven, zodat de rechtvaardigen geen leven meer hadden. En toen heeft God gezegd: Habakuk, ‘t zal nog erger worden, want de Chaldeeën zullen komen. “Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedte der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn” (Habakuk 1:6). Neem in zulke omstandigheden de dienst des HEEREN maar eens waar; kom dan maar eens uit voor Zijn Naam en Zijn zaak. En tóch, Habakuk doet het, niet in eigen kracht, maar in geloof.

En hij komt met God niet bedrogen uit. De HEERE doet hem zien waarop het alles zal uitlopen. De goddelozen, zowel binnen als buiten de kring van het verbond, zullen ondergaan. “De HEERE zal opstaan tot de strijd; Hij zal Zijn haters, wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten”. Want alles wat de vijanden van God en van Zijn heilig kind Jezus klaarmaken, is te karakteriseren met één woord: ‘tevergeefs’.

“Ziet, is het niet van de HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?” (vers 13). Alles wat de vijanden en de goddelozen doen, blijkt uiteindelijk bestemd te zijn voor het vuur, dat alles is tevergeefs, letterlijk: ‘t is ijdelheid, hol, leeg, van geen betekenis. En wat staat daar tegenover?

“Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken” (vers 14). De heerlijkheid des HEEREN, dat is de majesteit en de grootheid van de HEERE.

Psalm 97 zingt daar indrukwekkend van. De bergen smelten als was en de hemelen verkondigen Gods gerechtigheid en alle volken zien Zijn eer. De aarde zal de heerlijkheid des HEEREN bekennen. Dwars door de zonde van geweld, van hoogmoed, van eigen gerechtigheid gaat God door met Zijn werk. Dat geldt ook vandaag. Hoe staat het erbij in de wereld? Hoe is het in Zijn kerk?

Onderdrukking, hardheid, liefdeloosheid, ingezonkenheid. Staan we dan net als Habakuk om de dienst des HEEREN waar te nemen in geloof en in kracht, die God verleent? De HEERE gaat immers door, daar staat het woordje ‘zal’ garant voor. Want het is Kerstfeest geweest. Toen is het gebeurd, dat de heerlijkheid des HEEREN de herders omhulde. En engelen zongen: “Eer, heerlijkheid aan God”.

Waarom? Wel, de Held der hulp is er; Jezus is er. Hij is er. Die de arme en nooddruftige zal helpen en de rechtvaardige zal redden. Wat betekent ten diepste al wat de goddelozen doen op aarde in vergelijking met wat Jezus komt doen? Zijn verlossingswerk zal zich uitstrekken tot aan de einden der aarde. En daarom, hoeveel weerstand de kribbe van Bethlehem en het kruis van Golgotha ook oproepen, hoe hardnekkig de mensen zullen blijken te zijn in ongeloof en onbekeerlijkheid. God de HEERE gaat door, ook in dit nieuwe jaar. Zijn welbehagen zal door Christus’ hand gelukkig voortgaan.

Alle verdienste is uitgesloten, het is genade alleen. Alle werk schiet tekort, behalve Jezus’ werk; alle gerechtigheid is onvoldoende, behalve de Zijne, alle naam gaat onder, maar Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen. De dag nadert, waarop alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid van God de Vader. Dan is vervuld het Woord van God bij monde van David in Psalm 72: “En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja amen.”

Ds. R. Kattenberg