IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN
‘Nog een kleine tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien, want Ik leef en gij zult leven.’ (Johannes 14:19)
‘Gij zult Mij zien’, sprak de Heere. Dat wil zeggen: Mij zien met onuitsprekelijke vreugde met de ogen van het hart en dan verder met de ogen van het lichaam. ‘Want Ik leef’, zei de Heere. Dat wil zeggen: Ik blijf in het leven, hoewel Ik ook zal sterven, zoals in Psalm 118 staat: ‘Ik zal niet sterven, maar leven’. Zo heeft Hij dan de dood tenietgedaan, toen Hij, hét Leven, zich voor ons in de dood gegeven heeft. Hij heeft de dood zo geslagen dat hij niet slechts in Christus, maar ook in al Zijn heiligen en uitverkorenen overwonnen is. Dan doet het ons toch geen schade dat wij aan de aanslagen van de duivel blootgesteld blijven, de wereld ons kruisigt en in het graf legt, de zonde, die in ons woont, ons van de genade van Christus dreigt af te trekken. Ja, ondanks dat ons leven niets anders is dan een dood en die dood ons in allerlei gedaante aanvalt, zo doet het ons zelfs geen schade, net zo min als dit alles Christus, de Leidsman van onze zaligheid, geschaad heeft.
Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft in Christus Jezus onze Heere! O, mochten we deze woorden leren begrijpen: ‘Ik leef en gij zult leven’. Want van nu aan hebben wij het onderpand voor ons geestelijk en eeuwig leven, zoals ook voor ons tijdelijk leven, ja, voor vreugde in de Heere, voor gerechtigheid, voor vrijheid, voor vrede en rust, te midden van het gewoel van de vijanden om ons heen. ‘Jezus leeft en wij met Hem’! zo mogen wij juichen. ‘Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?’ Ja, door de dood van Christus zijn zonde, duivel, dood en alle vijanden ten onder gebracht; hun toorn is krachteloos geworden.
Laten we onze Heere Christus kennen in Zijn troostvolle beloften, indien wij hem althans liefhebben en een hart hebben, geneigd om Zijn geboden te bewaren. Zodat wij tegenover onze vijanden steeds indachtig blijven dat de grote vis onze Jona heeft moeten teruggeven, hoewel hij Hem in zijn buik en in zijn ingewand had. Want dit is het woord van de Heere: ‘Ik ben uit het graf, en u komt er ook uit, ja Ik trek u achter Mij aan, want juist daartoe om u eeuwig te verlossen, liet ik Mij door de dood verslinden’. Het kost wel een harde strijd om dit te begrijpen en te geloven. Toch blijft het waar: ‘Ik leef en gij zult leven’. Daar helpt de Heere met Zijn Geest, de tedere Trooster, opdat wij het tegen de verschrikking en de vrees van het geweten en tegen de stoten, steken en aanvallen van onze vijanden met het hart verstaan en daarin onze rust vinden, wat de apostel Paulus op grond van deze woorden van de Heere aan de Romeinen schrijft, in hoofdstuk 6: ‘Wij weten, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft: de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere’. Zo moet dan de stad Gods vrolijk blijven (want dat is het ‘leven’) met haar beekjes, met haar heilfonteinen van de Heilige Geest, die uit de troon van God en van het Lam hun oorsprong nemen, waar het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste is. ‘Want God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen, God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond’ (psalm 40). Hij helpt haar, Die ook gezegd heeft: ‘Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen’.
H.F. Kohlbrugge
