DRINKEN UIT DE BRON

“En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.” (Johannes 1:16)

We hebben niet veel te roemen en te pochen als we voor God willen verschijnen, want al verkeren we op aarde in de hoogste en beste rangen en standen, dan zijn wij toch voor God niets anders dan maden- en drekzakken, vol van stank en vuil. Vandaar dat Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen: ‘Zij zijn allen zondaars’, de hele wereld is schuldig voor God (3:23). En Jesaja zegt: ‘Maar nu zijn wij allen tezamen als de onreinen, en al onze gerechtigheid is als een bezoedeld kleed’ (64:6). Dat onze lieve Heere God ons nog genade betoont en ons tot nu toe in het leven heeft gehouden, dat hebben wij aan Zijn genade te danken, en niet aan onze goede werken. Hij had immers goed recht en reden om ons elk uur van de dag en de nacht in de afgrond der hel te stoten! Maar Hij heeft ons in deze wereld en in dit jammerdal – wat ons hospitaal en ziekenhuis is, omdat wij allen melaats en onrein zijn – nog verpleegd en verdragen. Als onze werken God behagen, dan zijn ze alleen daarom goed, omdat Hij ons onze gebreken niet toerekent en geduld met ons heeft. Want als Hij onze zonden wilde toerekenen, wie zou dan voor Hem kunnen bestaan? Daarom weten en kunnen we ons nergens op beroemen dan alleen op Zijn grote genade en barmhartigheid, die Christus ons uit Zijn volheid meedeelt – ja, uit een volheid die onuitputtelijk is!

Als wij ons willen beroemen, kunnen we ons alleen hierin beroemen dat we uit de volheid van de Heere Christus nemen, door Hem verlicht worden, vergeving van zonden verkrijgen en kinderen van God worden. Want dat is het belangrijkste: wie uit de macht van de duivel verlost wil worden, aan zonde en dood wil ontkomen, die moet uit deze Bron, Christus, scheppen, daaruit moet alle heil en zaligheid voortvloeien. Deze Bron is onuitputtelijk, vol genade en waarheid voor God. Hij vermindert niet: we mogen scheppen zoveel als we willen. Zelfs al zouden we allemaal eindeloos uit deze Bron scheppen, dan kan Hij toch niet leeggeschept worden, maar Hij blijft een oneindige Bron van alle genade en waarheid. Hij is een grondeloos diepe Put en een eeuwig stromende Bron. Hoe meer je uit Hem schept, hoe rijker Hij stroomt. Zoals Hij later zegt: ‘Het water dat Ik hem geven zal, zal in hem een fontein van water worden, dat tot in het eeuwige leven springt’ (4:14).  Christus onze Heere – tot Wie we de toevlucht mogen nemen in het gebed – is een oneindige Bron en

Fontein van alle genade, waarheid, gerechtigheid, wijsheid en leven. En dat alles zonder maat, eindeloos en grondeloos.

Deze Bron stroomt altijd mild en overvloedig van Gods liefde en genade. Wie nu – niemand uitgesloten – deze genade en liefde wil proeven en smaken, die mag tot Hem komen en drinken: niemand zal deze Bron kunnen leegdrinken. Hij zal het niet opgeven. Iedereen kan overvloedig genoeg daaruit ontvangen, en toch blijft Hij een overvloeiende Bron van levend water. Zo’n Prediker (zegt Johannes de Doper) zul je hebben, maar onderschat Hem niet, omdat je vroom genoeg meent te zijn; je aan de wet van Mozes houdt; je veel goede werken doet, enzovoort. Al je doen levert je niets op! En zelfs al zou het allemaal voor de mensen prachtig schitteren en glinsteren, dan is toch alles wat je doet, leugen en bedrog voor God, en ten slotte maar een armzalige schijn.

Wil je nu echt vroom, rein, rechtvaardig en zalig worden, dan moet je het nemen uit Hem Die God de Vader heeft verzegeld (bevestigd; verordend; beëdigd). Hij is die overvloedige, onuitputtelijke Bron en Volheid, waaruit de patriarchen en profeten, en verder alle heiligen – en ikzelf, Johannes – ook hebben geschept en altijd weer zonder ophouden scheppen. Wij allen, zonder één uitzondering, komen met lege flesjes en scheppen ons flesje vol uit Zijn bron en volheid. Ook mag niemand bevreesd of kleinmoedig zijn, en bij zichzelf denken: Hoe kan dat mogelijk zijn? Ik ben onwaardig, ik hoor niet bij het getal der heiligen. Ik ben een heiden, daarom moet ik wanhopen. Dan zegt Johannes: Hoor nu wat ik, in naam van God, tegen je zeg: De heidenen hebben, uit enkel barmhartigheid, even zo goed recht om van Zijn volheid te nemen als de Joden, die Abrahams zaad waren. Allen, allen, zowel Joden als heidenen, als ze tot genade willen komen, moeten uit deze Bron drinken. Hier moeten ze hun lege flesje vullen: waar het altijd stroomt en overloopt. Ze moeten zich vol drinken uit deze Springader van levend water, Die in het eeuwige leven ontspringt. Zijn volheid heeft geen eind of maat, daarom, schenk maar volop in, en drink met blijdschap en vreugde, want hier is overvloed en genoeg tot in het eeuwige leven, waar dan met het loven en danken van God je dorst voor eeuwig voorbij zal zijn.

Dr. M. Luther (1483-1546)