OPENBARING VAN DE VERHOOGDE CHRISTUS
‘En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.’ Openbaring 1:18a
Johannes is al een oude man, als hij dit Bijbelboek schrijft: de Openbaring aan Johannes. Het is ergens rond het jaar 95 na Christus. Hij is als gevangene verbannen naar het eiland Patmos. En daar is hij (vers 10) in de geest (in een bijzondere geestelijke toestand) op de dag des Heeren. Ineens, plotseling, hoort hij achter zich een stem, als een bazuin, als een trompet. Het is duidelijk, dit is een stem uit de hemel. Die zegt (vers 11): Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste. Johannes draait zich om, om te zien Wie het is, Die hem aanspreekt. Het is (vers 13): Eén, de Zoon des mensen gelijk. Het is de levende Heere Jezus Christus, Die wandelt tussen de zeven gouden kandelaren. Die wandelt in het midden van Zijn gemeenten, Die licht verspreiden in deze donkere wereld. De Zoon des mensen bekleed met macht en majesteit, met ontzag en verschrikking.
Dat lange koninklijke gewaad, die gouden gordel om de borst gespeld… Dat haar dat zo wit glinstert, als sneeuw waar de zon op schijnt… Die ogen die vuur uitstralen, die elk hart lezen en elk verborgen hoekje binnendringen… Die voeten die gloeien om de goddelozen te vertrappen… Die luide stem, die als een machtige branding tegen de rotskust van Patmos beukt… Dat scherpe, lange, grote zwaard, met zijn twee snijdende randen… Die hele verschijning, zoals de zon schijnt in haar kracht, te intens voor menselijke ogen om naar te staren… Dat hele beeld is symbolisch voor Christus, de grote en heilige Mensenzoon. Die komt (zo blijkt uit de volgende hoofdstukken) om Zijn gemeenten te zuiveren en om degenen te straffen, die Zijn uitverkorenen vervolgen (Openb. 2:16, 8:5)
Maar, het is voor Johannes te intens, te veel. Hij schrijft in vers 17: En toen ik Hem zag, viel ik als dood (niet letterlijk ‘dood’, maar ‘als dood’) aan Zijn voeten. Waarom? Waardoor? Door het zien van Zijn glorie, tegenover zijn eigen uiterste kleinheid en onwaardigheid. Het zien van die verhoogde Christus, legt hem op de grond. In diepe eerbied, maar ook vol verschrikking en vrees.
Maar dan, dan komt de Heere dichterbij, en zegt: ‘Vrees niet’. Vers 17: Hij legde Zijn rechterhand op mij, Hij bukt, neerbuigend, troostvol, helpend, zeggende tot mij: Vrees niet. Datzelfde als wat Hij eerder ook zei tegen Zijn discipelen na Zijn opstanding (inmiddels al jaren geleden): Vrees niet. De Heere is in al die jaren niet veranderd! Ik ben de Eerste en de Laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. Letterlijk: De Levende. Die eeuwig leven heb in Mijzelf (Joh. 5:26). En Die aan de Mijnen het eeuwige leven geeft (Joh. 6:33). En: Ik was dood. Mijn dood was een feit, dat was historische werkelijkheid. Ik ben gestorven en begraven. Laat daarover geen twijfel bestaan.
Maar: Zie! Het klinkt als een uitroep van overwinning. Als triomf! En zie! Ik ben levend in alle eeuwigheid. Onsterfelijk onoverwinnelijk, onveranderlijk! En ik heb de sleutels over de macht van de hel en van de dood. Die machten heb Ik door Mijn opstanding overwonnen. En die machten zijn nu in Mijn hand. Hier verschijnt de opgestane Christus in al Zijn heerlijkheid en glorie. Dit is een volmaakte tekening van de verhoogde Zaligmaker. Van wat Hij deed, en van de troost die Hij geeft. Vol van majesteit en heerlijkheid, woont Hij (na Zijn hemelvaart) in de hemel der hemelen. Waar Hij Zich zonder ophouden neerbuigt over Zijn kinderen. Zoals hier over de eenzame apostel Johannes. En Hij is nog steeds Dezelfde! Onze Heere in de hemel is niet onbewogen met de zorgen van ons hart. Hij heeft niet alleen het uiterlijk van een Koning, maar Hij heeft ook een vaderlijk, meelijdend, bewogen hart. En Hij verstaat als geen ander, de kunst van troosten, opbeuren en helpen.
Hij kan Zijn kinderen niet ongetroost laten. Hij moet ze troosten. Hij kan hun tranen niet nat laten. Hij moet ze drogen. Hij kanZijn werk niet loslaten. Hij moet het afmaken. Hij kan Zijn beloftewoorden niet vergeten. Hij moet ze vervullen. Hij kan degenen die op Hem wachten niet beschaamd maken. Hij moet ze te hulp komen. En de manier waarop Hij dat doet, is altijd ver boven wat wij verwacht hadden. Boven bidden en denken (Ef. 3:20).
Hij is de Alfa en de Omega, Die het goede werk dat Hij begon, zeker ook zal voltooien. Het leven dat Hij gaf, zal Hij Zelf onderhouden. De honger, de dorst die Hij gaf, zal Hij Zelf stillen. De woorden, die Hij sprak, zal Hij Zelf waarmaken. De genade die Hij gaf, zal Hij Zelf in stand houden. Wie? De levende, opgestane Christus Die van Zichzelf zegt: Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.
Ds. J. IJsselstein
Fragment uit een preek: www.leespreken.nl
